Voorzieningenrechter Amsterdam 2 juli 2009 (Trendylaarzen III), LJN BJ1669
Vierde kort geding in conflict tussen webwinkel Trendylaarzen en beheerder van website 2ehands.nl en oplichting.nl. Trendylaarzen werd op website oplichting.nl beschuldigd van fraude. Bij vonnis van 12 maart 2009 (LJN BH7529) oordeelde de voorzieningenrechter dat oplichting.nl de uitlatingen met betrekking tot Trendylaarzen moest verwijderen en de IP-adressen van de moderators aan Trendylaarzen moest doorgeven. In een later executiegeschil (Voorzieningenrechter Haarlem 29 april 2009, LJN BI2823) werd geoordeeld dat oplichting.nl ook verantwoordelijk was voor voortzetting van de discussie door dezelfde moderators op andere websites.
Thans wordt geoordeeld dat, het feit dat de moderators na het vonnis van 12 maart 2009 dezelfde activiteiten zijn blijven uitvoeren geen gevolgen heeft voor gedaagden. Van betrokkenheid van gedaagden bij het voorzetten van die activiteiten is immers slechts sprake als zij enigerlei (gezags)relatie hadden tot de moderators of als de nieuwe website de voorzieningen van 2dehands.nl gebruikte (met name dat zij draaide op de server van 2dehands.nl). Daarvan is echter niet gebleken.
Hierbij wordt nog het volgende aangetekend. In het onder 2.16 aangehaalde vonnis van de Haarlemse voorzieningenrechter werd de betrokkenheid van gedaagden bij de berichtgeving van na 12 maart 2009 gebaseerd op de nauwe samenhang en grote overeenkomstigheid van de geplaatste berichten over de webwinkel van Trendylaarzen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hieruit niet noodzakelijk de betrokkenheid van gedaagden volgt, immers op internet geplaatste berichten zijn ook enige tijd na verwijdering van een website vaak nog te vinden met behulp van zoekmachines en de moderator [naam7] heeft ook verklaard dat zij hiervan gebruik heeft gemaakt, blijkens de onder 2.20 aangehaalde e-mail:
Alle informatie die wij over oude topics verzameld hebben, is afkomstig uit Google cache.
Gedaagden hebben onder meer gesteld dat het vonnis van 12 maart 2009 een feitelijke misslag bevat op grond waarvan de executie moet worden gestaakt totdat er in een bodemprocedure over is geoordeeld. De feitelijke misslag bestaat er volgens hen uit dat is geoordeeld dat ´zonder enig bewijs voor oplichting sprake is van een hetze tegen een bedrijf´.
Vooropgesteld wordt dat de term ‘oplichting’ een zware beschuldiging is, die niet lichtvaardig mag worden geuit. In dit geval hebben gedaagden echter inmiddels voldoende aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden zodanig waren dat deze verdenking mocht worden geuit. In de eerste plaats merkt de voorzieningenrechter op dat Trendylaarzen in strijd met artikel 7:26 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) van haar klanten volledige vooruitbetaling heeft bedongen en ontvangen in plaats van het wettelijke voorgeschreven maximum van de helft van de koopprijs. Ook moet er vanuit worden gegaan dat zij in strijd met artikel 7:46 f lid 1 en 2 BW niet binnen 30 dagen na de bestelling tot levering is overgegaan dan wel terugbetaling heeft aangekondigd. Verder hebben gedaagden voldoende aannemelijk gemaakt dat dit bij een aanzienlijk aantal afnemers is gebeurd, zonder dat daarvoor een redelijke verklaring is gegeven. Hoewel de moderators al in een tamelijk vroeg stadium de conclusie hebben getrokken dat sprake was van oplichting en dat daarvan aangifte zou moeten worden gedaan, is, gezien de feiten zoals deze thans zijn komen vast te staan dan wel aannemelijk geworden, de conclusie dat de moderators hiertoe te snel zijn overgegaan niet langer gerechtvaardigd.
Vierde kort geding in conflict tussen webwinkel Trendylaarzen en beheerder van website 2ehands.nl en oplichting.nl. Trendylaarzen werd op website oplichting.nl beschuldigd van fraude. Bij vonnis van 12 maart 2009 (LJN BH7529) oordeelde de voorzieningenrechter dat oplichting.nl de uitlatingen met betrekking tot Trendylaarzen moest verwijderen en de IP-adressen van de moderators aan Trendylaarzen moest doorgeven. In een later executiegeschil (Voorzieningenrechter Haarlem 29 april 2009, LJN BI2823) werd geoordeeld dat oplichting.nl ook verantwoordelijk was voor voortzetting van de discussie door dezelfde moderators op andere websites.
Thans wordt geoordeeld dat, het feit dat de moderators na het vonnis van 12 maart 2009 dezelfde activiteiten zijn blijven uitvoeren geen gevolgen heeft voor gedaagden. Van betrokkenheid van gedaagden bij het voorzetten van die activiteiten is immers slechts sprake als zij enigerlei (gezags)relatie hadden tot de moderators of als de nieuwe website de voorzieningen van 2dehands.nl gebruikte (met name dat zij draaide op de server van 2dehands.nl). Daarvan is echter niet gebleken.
Hierbij wordt nog het volgende aangetekend. In het onder 2.16 aangehaalde vonnis van de Haarlemse voorzieningenrechter werd de betrokkenheid van gedaagden bij de berichtgeving van na 12 maart 2009 gebaseerd op de nauwe samenhang en grote overeenkomstigheid van de geplaatste berichten over de webwinkel van Trendylaarzen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hieruit niet noodzakelijk de betrokkenheid van gedaagden volgt, immers op internet geplaatste berichten zijn ook enige tijd na verwijdering van een website vaak nog te vinden met behulp van zoekmachines en de moderator [naam7] heeft ook verklaard dat zij hiervan gebruik heeft gemaakt, blijkens de onder 2.20 aangehaalde e-mail:
Alle informatie die wij over oude topics verzameld hebben, is afkomstig uit Google cache.
Gedaagden hebben onder meer gesteld dat het vonnis van 12 maart 2009 een feitelijke misslag bevat op grond waarvan de executie moet worden gestaakt totdat er in een bodemprocedure over is geoordeeld. De feitelijke misslag bestaat er volgens hen uit dat is geoordeeld dat ´zonder enig bewijs voor oplichting sprake is van een hetze tegen een bedrijf´.
Vooropgesteld wordt dat de term ‘oplichting’ een zware beschuldiging is, die niet lichtvaardig mag worden geuit. In dit geval hebben gedaagden echter inmiddels voldoende aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden zodanig waren dat deze verdenking mocht worden geuit. In de eerste plaats merkt de voorzieningenrechter op dat Trendylaarzen in strijd met artikel 7:26 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) van haar klanten volledige vooruitbetaling heeft bedongen en ontvangen in plaats van het wettelijke voorgeschreven maximum van de helft van de koopprijs. Ook moet er vanuit worden gegaan dat zij in strijd met artikel 7:46 f lid 1 en 2 BW niet binnen 30 dagen na de bestelling tot levering is overgegaan dan wel terugbetaling heeft aangekondigd. Verder hebben gedaagden voldoende aannemelijk gemaakt dat dit bij een aanzienlijk aantal afnemers is gebeurd, zonder dat daarvoor een redelijke verklaring is gegeven. Hoewel de moderators al in een tamelijk vroeg stadium de conclusie hebben getrokken dat sprake was van oplichting en dat daarvan aangifte zou moeten worden gedaan, is, gezien de feiten zoals deze thans zijn komen vast te staan dan wel aannemelijk geworden, de conclusie dat de moderators hiertoe te snel zijn overgegaan niet langer gerechtvaardigd.